top of page

Onze geschiedenis

Opgericht in 1925 bestaat de UBFP bijna honderd jaar.
Ontdek haar geschiedenis hieronder.

het onmenselijke - poster_edited.jpg

Affiche van de film L'inhumaine van Marcel L'Herbier, die uitkwam op 12 december 1924. Ontwerp affiche: Georges Djo Bourgeois (1896-1937)

Jaren 20

DE VERENIGING ONTSTOND UIT DE ONTEVREDENHEID VAN HET PUBLIEK OVER WAT ER IN DE BIOSCOOP TE ZIEN WAS

Wat er in de pers te lezen viel over film, waren hoofdzakelijk reclameteksten. Twee journalisten, Jules Flament en Edouard de Tallenay (stichtende leden en toekomstige voorzitters van de filmpersvereniging) luidden de alarmbel in een artikel dat zij in 1924 publiceerden in de krant La Nation belge.
Flament bekloeg zich erover dat “het publiek, en daarmee bedoelen we kunstenaars, schrijvers, journalisten, schilders, leraren en families van deze intellectuelen ─ en dat betekent in Brussel toch een paar duizend mensen ─ wel, dat publiek, dit cliënteel, gaat niet naar de cinema. Gewoon omdat het merendeel van de films die er vertoond worden, hen niet interesseert."
Om hieraan te verhelpen, richtten Flament en De Tallenay in Brussel de filmclub Les Amis du Cinéma op, met nobele pedagogische doelstellingen. Hun missie: het publiek ontmoeten en hen de films “uitleggen”. Zij pleitten tevens voor de vertoning van films in het onderwijs.
 


Oorspronkelijk waren er 7 journalisten
In 1925, werd de Beroepsvereniging van de Belgische Filmpers ofte BBF (Franstalige benaming Association Professionelle de la Presse Cinématographique Belge, APPCB) opgericht. De leiding was in handen van zeven pioniers: Edouard de Tallenay (La Nation Belge), Carl Vincent (L'Indépendance Belge), Arthur Michel (La Gazette), Julien Flament (Cinéo, revue indépendante belge d’information) Pierre Bourgeois (INR), Joris de Maegt (Het Laatste Nieuws) en Henri de Broudère (L'Étoile Belge).
De BBF/APPCB zetelde in het Pershuis dat gevestigd was op de eerste verdieping van het appartement Vanderborght Frères op het nummer 48 van de Schildknaapstraat in Brussel. De locatie was voorzien van een biljarttafel, een vleugelpiano en bijzonder gerieflijk meubilair. Banketten, recepties en ontvangsten van buitenlandse collega’s maakten het Pershuis tot een druk bezochte plek. Ook al omdat de beperking op het gebruik van alcohol door de recente wet Vandervelde niet van toepassing was in een privéclub.
Op 18 augustus waren er 11 aangesloten leden die zich als oprichters kunnen doen gelden.. Naast de zeven oorspronkelijke leden kwamen er nog Emmanuel Vossaert (Le Soir), Marcel De Ceulener (Het Laatste Nieuws), Octave Steghers (De Standaard) en Charles-André Grouas (L'Indépendance Belge) bij. Zij beheerden samen de vereniging tot 8 maart 1929, toen deze nog slechts 19 leden telde. De formaliteiten en toelatingsvoorwaarden, die zeer streng waren, werden op 18 december 1926 vastgelegd. Op dat ogenblik is het Pershuis in Brussel de zetel van een tiental persverenigingen zoals het Syndicaat van de Informatieve pers en de Vereniging van Sportjournalisten.

 

 

 

 

Jaren 20

 

Oprichting van een hulpfonds

 

In 1925, ter gelegenheid van de 30ste verjaardag van de geboorte van de film, geeft de vereniging een banket ter ere van de Franse filmpionier Raoul Grimoin-Sanson.
Op 30 april 1926 volgt haar eerste officiële publieke evenement: de vereniging patroneert een vertoning van de Belgische film van Jean Velu “La Forêt qui tue” ten voordele van het Werk van de Oorlogstuberculozen. Aanwezig zijn de Franse regisseurs Léon Poirier, Abel Gance en René Clair.
De BBF richt op 14 februari 1927 het hulpfonds op. Het is een van de eerste initiatieven om de belangen van haar leden te verdedigen, in een tijd waarin de sociale zekerheid praktisch onbestaande is. Om haar reputatie te vestigen, begon de vereniging al snel met haar befaamde galavoorstellingen.
Op dat ogenblik zijn internationale filmploegen actief in de filmstudio’s te Machelen, gebouwd in 1922. Deze teams worden door de vereniging uitgenodigd voor gezellige lunches. Dit gebeurt tijdens de opnamen van de film “Le Juif polonais” (1925) van Harry Southwell. Vandaag zijn deze studio’s in Machelen, waar in 1973 nog Jacques Brel zijn film “Le Far West” draaide, verlaten. Andere studio’s zoals Monev in Sint-Pieters-Leeuw zijn in de plaats gekomen.
Na vijf jaar telt de vereniging 26 leden maar kent reeds een diepe crisis. Ze herschrijft haar statuten volledig. Ze vraagt aan Léon Duwaerts, secretaris-generaal van de Algemene Belgische Persbond ABP (in het Frans: Association Generale de la Presse Belge AGPB) en werkzaam bij het persagentschap Belga, voorzitter van de vereniging te worden. Hoewel hij nooit iets over de 7de kunst heeft gepubliceerd, wordt hij beschouwd als degene die de vereniging een ernstig imago kan bezorgen en een goede nieuwe start kan garanderen.

 

1487694063749358.jpg

Portret van Léon Duwaerts door Jean-Jacques Gailliard, 1958, olie op doek.

gouden eeuw bunuel.jpg

Affiche van de film "L'age d'or" van Luis Bunuel

Jaren 30

 

HET BEGIN VAN EEN GOUDEN PERIODE

Raoul Grimoin-Sanson is de uitvinder van de “projecteur à échappement par croix de Malte inversée” ofte fototachygraaf. Het gaat om een verbeterd procedé voor het transport van de filmrol in de projector waarbij middels een omgekeerd maltezerkruis elk beeldje kort stilstaat voor de projectorlamp. De Luikse burgemeester en oud-minister Xavier Neujean en de Franse filmpionier zijn de eregasten als de vereniging op 25 januari 1930 in Luik een gedenkplaat onthult voor de eerste filmvoorstelling in Wallonië. Deze projectie met Grimoin-Sansons fototachygraaf had 34 jaar eerder, op 27 september 1896, plaatsgevonden in het café Canterbury aan de rue de la Cathédrale, 91.
In 1930 treedt de BBF zeer actief op in het ondersteunen van de filmsector, en de Belgische film in het bijzonder. De vreniging moedigt de oprichting aan van de Union Belge des Cinéastes Amateurs (Belgische Unie van Amateurfilmmakers), die amateurcineasten en amateurscenarioschrijvers samenbrengt. Deze Unie wil de onafhankelijke film in België bevorderen.

Datzelfde jaar schudt de vereniging op haar grondvesten: André de Sormani, hoofd van de filmrubriek bij “Midi-Journal”, en Charles Guillaume, richten een nieuwe vereniging voor filmjournalisten op, de Beroepsunie van de Belgische Filmpers / Union Professionnelle de la Presse Cinématographique Belge (UPPCB).

De UPPCB heeft ook haar intrek genomen in het Brusselse Pershuis. De leiders van de BBF zoeken onmiddellijk toenadering tot de jonge UPPCB met het oog op een fusie. De besprekingen mislukten, waarbij elk van de presidenten vasthield aan zijn titel. Uiteindelijk bleek het bestaan van de UPPCB van zeer korte duur te zijn. Maar de discussies die deze situatie met zich meebracht heeft de grote verdienste gehad dat voor het eerst de filmverslaggevers in een speciale sectie werden samengebracht en dat ze voor het eerst ook een perskaart hebben gekregen

In 1930 zag Brussel ook de geboorte van de Internationale Federatie van de Filmpers, later FIPRESCI (Fédération Internationale de la Presse Cinématographique), dankzij enkele stichtende leden van de BBF. De Belgische filmjournalisten hebben hier pionierswerk verricht. De BBF droeg vervolgens ook in belangrijke mate bij tot de verdere ontwikkeling van de federatie, vooral in de jaren 30, en is er lange tijd een zeer actieve rol in blijven spelen, zowel op nationaal als op internationaal vlak

Uitbreiding en acties

Op 4 februari 1931 wordt de afdeling Antwerpen van de BBF opgericht. Zij organiseert haar eerste gala op 16 oktober 1931 in bioscoop Odeon, met de film “L'Aiglon” van Leonard Tourjanski. Nog in 1931 vond in Brussel de allereerste competitie voor amateurfilms plaats. Films uit vijf landen namen deel. En op 2 december van hetzelfde jaar, na gerechtvaardigde protesten van de Belgische pers over de inhoud van de Franse filmactualiteiten in de cinema’s, deelt de eigenaar van Pathé, Bernard Natan, aan de leden mee dat voortaan een belangrijke en speciale plaats zal worden ingeruimd voor Belgische filmgerelateerde evenementen.

Jaren 30

Week van de cinema in Brussel

In 1932, is de zeer actieve voorzitter van de vereniging Julien Flament gastheer van een lunch ter ere van de (twee jaar eerder voor een Oscar genomineerde) Franse zanger en acteur Maurice Chevalier, in de de Rotisserie du Bon Marché, ‘the place to be’ in Brussel op dat ogenblik. In december van datzelfde jaar lanceert de vereniging een Brusselse Filmweek. Voor dat evenement worden sterren aangetrokken als Harold Lloyd, Raimu, Jean Gabin, Victor Francen en Albert Préjean. Maar naast deze prestigieuze affiche was de belangrijkste opdracht van de Filmweek van pedagogische aard, namelijk de mogelijk positieve rol van het nog relatief jonge medium film in het onderwijs te onderstrepen. In dit verband wordt bijvoorbeeld de documentaire film “Nanook of the North” (1922, Robert Flaherty) vertoond. Dit kan gezien worden als de eerste belangrijke aanzet tot een Belgische filmopleiding die later haar kwaliteit tot ver buiten de landsgrenzen zou bewijzen, met de geboorte van befaamde filmscholen als NARAFI (1938), IAD (1959), INSAS (1962), RITCS (1962) of de afdeling Visuele kunsten van La Cambre (1980).

Tijdens deze gouden jaren van de film organiseerde de Vereniging in het Pershuis te Brussel regelmatig prestigieuze bijeenkomsten met grote namen als Fritz Lang (september 1932), Suzy Vernon (januari 1933) en Jeannette MacDonald (maart 1933).
 

Het eerste Festival in België

In 1935 was de BFF - onder leiding van Carl Vincent - een van de organisatoren van een internationaal filmfestival in Brussel. Het was het allereerste en werd opgezet in het kader van de Brusselse Wereldtentoonstelling van 1935. De 72 deelnemende films werden van 26 september tot 17 oktober vertoond in het pas gebouwde Alberteum (dat in 1954 werd omgedoopt tot het Planetarium van Brussel).

Voorzitter Léon Duwaerts schreef later het volgende over het evenement: "Het Internationaal Filmfestival van Brussel bevestigde weliswaar het overwicht van de Amerikaanse school en de vooruitgang van de Engelsen en Belgen, maar het toonde vooral de schitterende ontwikkeling van documentaires en wetenschappelijke films, en gaf ons een vrij nauwkeurig beeld van de huidige stand van de zevende kunst.”

Dat jaar kende de Vereniging de Plateauprijs toe aan Walt Disneys korte tekenfilms “The Band Concert” en “Who Killed Cock Robin?” terwijl de speelfilm “The Informer” van John Ford de Grote Prijs van de Koning won. Een FIPRESCI-prijs voor de beste filmreportage werd toegekend aan “La Merveille de l’Occident: le Mont-Saint-Michel” van de Franse cineast Maurice Cloche.

Twee jaar later, in 1937, werd op internationaal niveau de UNICA (Internationale Unie van de Niet-professionele Film) opgericht.

de verrader 1.jpg

Affiche voor John Fords "The Informer", Grote Prijs van de Koning in 1935.

Jaren 40

ZWARTE JAREN

Tijdens Wereldoorlog II stopt de Beroepsvereniging van de Belgische Filmpers BBF/APPCB haar activiteiten. Een aantal leden verblijft in Duitsland in gevangenschap en de filmindustrie in België werd geleid en gecontroleerd door aanhangers van de Nieuwe Orde.

 

Uitsluiting van 11 leden

 

1944. Eerste ontmoeting sinds de bevrijding. Onder het voorzitterschap van de eminente en dynamische Léon Duwaerts, spreekt de vereniging zich unaniem uit over de uitsluiting voor het leven van 11 leden die hadden meegewerkt aan publicaties die tijdens de bezetting verschenen. Hun schrapping veroorzaakte een aardbeving in de beroepsgroep.
Sommigen van hen zijn hooggeplaatste personen in het beroep: Carl Vincent en Herbert Delport, twee voormalige voorzitters. Andere belangrijke filmcritici werden niet gespaard: Robert Poulet, hoofdredacteur van de krant Le Nouveau Journal, zijn journalisten Paul Werrie, Jules Lhost en Gaston Derycke, deze laatste auteur van de beroemde detectiveroman “Je n'ai pas tué Barney”(1940). Of Marcel de Ceulener, alias René Dylman (Het Volk), Paul Kinnet en Ludo Patris (beiden van La Libre Belgique), Willem Rombauts (Vooruit) en Marc Dubois, bekend als Marc Carghese.

Voor hen betekende dit een abrupt en definitief einde van hun journalistieke loopbaan. Sommigen van hen werden gearresteerd en gingen in ballingschap in Frankrijk, Spanje of Italië - zoals de voorzitter en oprichter Carl Vincent - om een doodvonnis te ontlopen. Met uitzondering van Jules Lhost, lid van de Rexistische partij, die op 22 maart 1945 werd geëxecuteerd. Anderen doken weer op in de boekenwereld, vaak onder pseudoniem. De namen van deze journalisten werden vervolgens geschrapt uit alle officiële jaarboeken van de Belgische pers.

Terwijl de BBF elf van haar in film gespecialiseerde leden sanctioneerde, schrapte de Belgische pers als geheel (de Algemene Belgische Persbond/ Association Générale de la Presse Belge) op het einde van de Tweede Wereldoorlog in totaal 80 journalisten, alle specialismen samen. En verzocht om toepassing van artikel 2 van de besluitwet van 6 mei 1944 met betrekking tot “de levenslange ontzegging van het recht om op eender welke wijze deel te nemen hetzij aan de exploitatie, het beheer, de redactie of het drukken of verspreiden van een dagblad of eender welke publicatie, aan al degenen die een misdrijf hebben begaan of hebben getracht te begaan in oorlogstijd, aangezien het ontoelaatbaar is dat, na de bevrijding van het grondgebied, degenen die hebben gecollaboreerd met de bezetter, nog deelnemen aan ons openbare leven”.

de nieuwe krant.jpg

Tijdens de Tweede Wereldoorlog verschenen verscheidene collaboratiekranten. Op de foto: Le Nouveau Journal.

Jaren 40
wereldfestival 1947.jpg

De door René Magritte ontworpen affiche voor het festival van 1947.

BBF-voorzitter René Jauniaux komt om het leven in Duitsland

Begin april 1945. René Jauniaux, zoon van de socialistische senator Arthur Jauniaux, is  filmcriticus voor de krant Le Peuple maar ook oorlogsverslaggever. Veertien dagen na zijn verkiezing in Brussel tot voorzitter van de BBF vertrekt hij op 31 maart naar Duitsland. Hij begeleidt er het Derde Amerikaanse leger in zijn opmars over de Rijn. Samen met twee collega's zit hij in een jeep. Ze willen een tank voorbijsteken. Op een teken van een commandant slaat hun auto linksaf. Helaas, de tank ook. René Jauniaux wordt op slag gedood. Zijn onfortuinlijke vader overleefde hem slechts 4 jaar. René's voorganger, Léon Duwaerts, heeft met eenparigheid van stemmen het voorzitterschap van de vereniging overgenomen. Van 30 november tot 8 december 1945 organiseert de vereniging, om deze donkere en trieste periode te vergeten, een Tiendaagse van de Cinema, een festival ter gelegenheid van 50 jaar film. Verschillende Belgische en Franse sprekers - zoals de cineast Jean Painlevé – brengen hulde aan de uitvinders en voorlopers van de cinema, van wie sommigen toen nog in leven waren. De vereniging blijkt de enige organisatie ter wereld te zijn die er aan dacht de vijftigste verjaardag te herdenken van de eerste publieke filmvoorstelling, op 28 december 1895 in Parijs.

 

De geboorte van het Festival van Brussel

In 1946 vormen vertegenwoordigers van de vereniging een commissie, voorgezeten door André Thirifays, om de regering ertoe aan te zetten een grote subsidie toe te kennen aan de vzw die het Wereldfilmfestival van Brussel wil lanceren. Op dat ogenblik bestaat het Internationaal filmfestival van Cannes nog niet. De eerste editie van Cannes vindt plaats eind september 1946. De filmminnende senator en kort nadien minister Piet Vermeylen heeft zich achter hen geschaard. Als Brussel zo’n festival krijgt, is dat een geweldige opsteker voor de Belgische filmsector, argumenteert hij. In 1935 was er al met succes een eerste internationaal filmfestival gehouden, zonder dat er opvolging kwam. Op 21 april 1946 publiceerden verschillende dagbladen, waaronder La Libre Belgique, grote uittreksels uit een tekst van de vereniging over het project van een groot filmfestival in België. Zij vermelden "de moeilijkheden die het Festival van Venetië ondervindt omdat het na de instelling van het fascistische regime voor propagandadoeleinden werd gelanceerd (...)".
De vereniging wijst er ook op dat "de leiders van de grote Amerikaanse bedrijven, die onlangs Brussel bezochten, de Belgische hoofdstad - of Stockholm - als een ideale plaats zagen om een gerenommeerd festival te lanceren. België, dat geen belangrijk productieland is, een benijdenswaardige geografische ligging heeft en een knooppunt van het Westen is, zou een neutrale en ideale schakel zijn tussen de Angelsaksische en de Germaanse wereld”.

Dit festival komt er effectief in 1947 en loopt van 1 tot 30 juni in het Paleis voor Schone Kunsten, met ook decentralisaties buiten Brussel. Het festival ontvangt persoonlijkheden als Claude Autant-Lara, Gérard Philippe, Micheline Presle, Sarah Churchill, Rita Hayworth, Marlene Dietrich, Gregory Peck, Trevor Howard, Jean Marais en Stewart Granger.
Het evenement kent meteen een groot schandaal, door de vertoning van de film "Le diable au corps" van Claude Autant-Lara met de toenmalige vedetten Gérard Philippe en Micheline Presle In een interview met Le Soir in 2010 vertelt Micheline Presle: "Op een bepaald moment tijdens de vertoning, waarschijnlijk tijdens een bedscène, stond de Franse ambassadeur op en riep: 'Dit is schandalig, het is een schande!’ Hij verliet de zaal met slaande deuren. Als ik me goed herinner, was dat een groot diplomatiek incident.”
Orson Welles’ “Citizen Kane” en “Le Fondateur” van Charles Dekeukeleire waren ook geselecteerd. Niemand weet echt of het diplomatieke incident het Festival rechtstreeks heeft veroordeeld, want ondanks het klinkende internationale succes verloor het al snel zijn subsidies, uiteraard tot grote frustratie van de leden van de vereniging.

In 1949 komt er een tweede editie, ditmaal niet meer in Brussel, maar aan de kust, in het casino van Knokke-Zoute. Filmliefhebbers krijgen veel hooi op hun vork want dit Tweede Wereldfestival voor film en schone kunsten van België (van 18 juni tot 10 juli 1949) herbergt ook een sectie met experimentele films, opgezet door de Belgische cinematheek en zijn kersverse conservator Jacques Ledoux. En die sectie dient zich aan als Festival van de Experimentele Film, (een festival binnen een festival dus) met van 25 juni tot 8 juli 1949 dagelijks voormiddagvertoningen om 10u30 stipt.
Terwijl het initiatief van het Festival van de Experimentele Film vele jaren later vervolgd werd met nog vier edities van XPRMTL tussen 1958 en 1974, kwam er na 1949 helaas geen volgende Belgisch Wereldfilmfestival.
Officieel werd destijds gezegd dat het Internationaal Filmfestival van Brussel een te grote concurrentie dreigde te worden voor de Festivals van Cannes en Venetië, die toen nog in de kinderschoenen stonden. Veel later, in 1974, maar met beperkte ambities en geconfronteerd met een ondertussen immense internationale concurrentie, lanceert de stad opnieuw een  Internationaal Filmfestival van Brussel. Het zal jaren gedomineerd worden door de grote Belgische filmverdelers die het eerder als een lanceerbasis voor hun nieuwe commerciële films beschouwen. Na de editie van 2002 wordt het in 2003 opgevolgd door het op de betere Europese film toegespitste Brussels Film Festival (BFF). Het wordt geleid door Ivan Corbisier, een oud-voorzitter van de vereniging. Het Brussels Film Festival duurt een week en loopt in de maand juni hoofdzakelijk in de zalen van Flagey. De later tot UBFP/UPCB omgedoopte BBF kent hier sinds verscheidene jaren een Prijs van de Kritiek toe.
 

Brusselse Film Veertiendaagse

In 1949 was de naoorlogse boom in volle gang en viert de vereniging haar 25-jarig bestaan. Zij organiseert in Brussel een Veertiendaagse van de Film. Er werden nationale avant-premières vertoond van de Franse films “La Ferme des sept péchés” en “Le Grand Cirque”, van het Amerikaanse drama “The Saxon Charm” en “Il mulino del Po” van Alberto Lattuada. Tot de gasten behoren onder meer: Luis Mariano, Anouk Aimée, Blanchette Brunoy, Madeleine Sologne, Honor Blackman en Pierre Mingand. Toots Thielemans, een jonge 27-jarige mondharmonicaspeler, doet zich opmerken. Presentator is de bekende Franstalige dichter-radiomaker Pierre Vandendries.

de duivel in het lichaam claude zoveel lara.jpg

"Le diable au corps" van Claude Autant-Lara verwekt schandaal op het Brusselse Wereldfestival van de Film in 1947.

de schoonheid die hier is.jpg

"La belle que voilà", een van films op het festival in Knokke, 1951.

Jaren 50

EEN SPLIT DIE EEN KENTERING BETEKENT

De volgende zomer, in 1951, is de Vereniging terug in Knokke. Dat jaar wordt een hommage gebracht aan de Amerikaanse cinema. Het festival opent met “Follow the Sun” met Glenn Ford. Het betekent niet dat de Franse film afwezig is en prenten als “Juliette ou la Clé des Songes” (Marcel Carné) en “Le Jugement de Dieu” staan eveneens op de affiche.
In 1953 verminderen de activiteiten. Interne spanningen, tekorten aan kasmiddelen en een strijd tussen ego’s of tussen de oude en de jonge generatie brachten de BBF in een onomkeerbare crisis met het gevolg dat zij in twee fracties uiteenvalt. Het leidt meteen tot de oprichting van een nieuw Filmpersvereniging, namelijk de Unie van de Filmkritiek / Union de la critique de cinéma UFK/UCC. Tot de oprichters van deze nieuwe bond behoren Pierre Thonon, Joseph Bertrand en Olivier Delville. Opmerkelijk is dat Delville door deze breuk tijdens zijn carrière voorzitter van beide verenigingen is geweest. Het is een soort Belgisch compromis dat iedereen op het moment zelf tevreden stelt, maar het zal op lange termijn voor de algemene werking van de beroepsfilmpers in ons land consequenties hebben. Tot de dag van vandaag overigens, zoals een minder grote slagkracht naar de filmwereld toe.

cine revue.jpg

Cover van het magazine Ciné Revue France, jaren 50

Joë van Cottom, voorzitter voor... 32 jaar!

In 1954 nam Joë van Cottom (†1994), directeur van het weekblad Ciné Revue (later Ciné Télé Revue), de fakkel als voorzitter over. Niet zonder aarzeling. Veel later zei hij hierover: "In 1954 maakte de Beroepsvereniging van de Belgische filmpers (vandaag de UBFP) een moeilijke tijd door. Een delegatie van het bestuur van de vereniging kwam naar mij en legde me uit dat het galabal dat georganiseerd werd in de Cercle Gaulois door de ontslagnemende voorzitter van de afdeling Brussel en waarbij Engelse vedetten waren uitgenodigd, op een fiasco was uitgelopen. De kas was leeg en de vereniging dreigde te verdwijnen. Deze delegatie bood me dan het voorzitterschap aan. Eerst weigerde ik het omdat het mij om vele redenen nauwelijks interesseerde. Maar men zei mij dat ik niet het recht had om een beroepsvereniging waarvan ik een van de laatste stichtende leden was en die een fonds voor onderlinge hulp voor haar leden had, te laten sterven. Het waren deze opmerkingen die mij over de streep trokken.”
In 1955 verklaarde Joë van Cottom over de Belgische film: "Er is maar één manier voor België - en ik denk dat dit voor alle kleine producerende landen geldt - om de vicieuze cirkel te doorbreken waarin de Belgische film zich bevindt: coproductie (...) Historisch gezien is België altijd een knooppunt geweest voor de verschillende culturen in West-Europa (...) Op dezelfde manier zou het op filmgebied een schakel kunnen zijn tussen grote landen.”

 

Een nuttig militantisme

In 1958 werd “Paths of Glory” van Stanley Kubrick gecensureerd in Frankrijk, waar hij pas in 1975 zou worden uitgebracht. Hoewel de Brusselse bioscoop Variétés onder druk wordt gezet om de film niet te vertonen, verkiest de exploitant dit wel te doen. Maar Franse en Belgische oud-strijders maakten tijdens de eerste voorstellingen dusdanig kabaal dat de film van de affiche werd gehaald. Pas na een gezamenlijke mobilisatie van de Beroepsvereniging van de Belgische Filmpers BBF en de (recent afgesplitste) Unie van de Filmkritiek UFK en ook dankzij een demonstratie van 2000 studenten van de Vrije Universiteit Brussel, werden de vertoningen weer normaal hervat. De pers berichtte uitvoerig over deze affaire.

Jaren 50

Jaren 80

GEBOORTE VAN DE HUMANUM PRIJS

In het midden van de jaren tachtig vindt de Vereniging een tweede adem. In 1984 lanceerde een Franse journalist, Michel Mouligny, de  Humanum prijs, die werd toegekend aan een film die pleit voor een leven in harmonie tussen verschillende volkeren. Jonge journalisten begonnen zich voor de organisatie te interesseren, waardoor de banden met de FIPRESCI nog nauwer werden aangehaald.
 

Einde van een regeerperiode

Joë Van Cottom, voorzitter, gaat na 32 jaar met pensioen. Officieel om persoonlijke en gezondheidsredenen. Aan het einde van zijn ambtstermijn zegt hij tegen zijn leden: "In alle objectiviteit moet worden vastgesteld - en de bewijzen zijn overduidelijk! - dat de fouten die de afdeling Brussel de laatste twee jaar heeft gemaakt, de vereniging veel van haar prestige binnen de filmsector hebben gekost. Ik betreur dit ten zeerste”. Een triest einde voor de man die een van de populairste filmjournalisten van België was.

joe van gottom.jpg

Joë Van Cottom, voorzitter van de BBF en stichter van Ciné Revue, geïnterviewd door journalist J..J. Valmont

vintage reclame televisie.jpg

Amerikaanse reclame voor kleurenTV, jaren 60

Jaren 60-70

KORTADEMIGHEID

Ondanks de afsplitsing bleef de BBF gala's en prijsuitreikingen organiseren, maar met minder personele en financiële middelen. En met minder motivatie. De UFK nam in belang toe. Toch kwam de splitsing geen enkele organisatie echt ten goede. De archieven van de Koninklijke Bibliotheek van België en het Koninklijk Filmarchief van België getuigen hiervan. Gelukkig zijn met de tijd de spanningen tussen beide verenigingen duidelijk afgenomen, om niet te zeggen volledig verdwenen.

 

1975: 50ste verjaardag van de vereniging

In de afgelopen twee decennia is de televisie steeds meer in huis gekomen. Dit markeert het einde van de gouden eeuw van de bioscoop. De pers verliest meer en meer haar belangstelling voor filmassociaties. Gespecialiseerde en uitgebreide filmartikelen zijn minder gevraagd. Het bioscooplandschap kent grote wijzingen. Enerzijds gaan er vele kleine zalen dicht door de concurrentie met de TV en de opkomst van de video, maar anderzijds zijn er de eerste multiplexen (eerst de Trioscoop in Hasselt in 1972, gevolgd door de Pentascoop in Gent) die de deuren openen en meer dan ooit de filmprogrammatie bepalen.
Geleidelijk verminderden de activiteiten van de BBF die dreigt weg te deemsteren, ook al organiseerde Joë van Cottom in 1975 nog een prestigieus gala ter gelegenheid van ons 50-jarig bestaan. Vanaf het begin van de jaren 30 tot 2005 heeft de vereniging gefunctioneerd  in de vorm van verschillende regionale entiteiten. Brussel, Oost- plus West-Vlaanderen, Antwerpen, Luik, Henegouwen-Namen en zelfs Leuven hadden genoeg vakmensen om deze geografische opdelingen te rechtvaardigen.
In de jaren 70 gaf alleen de Antwerpse BBF-afdeling, onder voorzitterschap van Marc Turfkruyer, blijk van echte vitaliteit. Op internationaal vlak echter, en tot 1981, was de vereniging zeer dynamisch binnen de FIPRESCI dankzij journalisten als René De Borger, Marc Turfkruyer en Denis Marion. Verschillende Belgische leden nemen deel aan FIPRESCI-jury's op talrijke internationale filmfestivals.

Jaren 60-70
Jaren 80
de prachtige noiseuse.jpg

De eerste Grote Prijs, toegekend in 1991: "La belle noiseuse"

Jaren 90-2000

DE GROTE PRIJS

Na de zware erfenis van Joë van Cottom te hebben overgenomen – de nieuwe voorzitter was Roland Lommé - nemen de leden van de vereniging opnieuw initiatieven. In 1991 lanceren ze de jaarlijkse Grote Prijs van de BFF, ter bekroning van de beste film uitgebracht in België tijdens het afgelopen jaar.
Overigens werden in het verleden door de vereniging vergelijkbare prijzen uitgereikt zoals de "Beste Film van de Maand" en "Beste Film van het Seizoen". Ronnie Pede (Film & Televisie) slaagt erin om in 1996 een FIPRESCI- jury te introduceren bij het Internationaal Filmfestival van Vlaanderen - Gent, het festival met het meeste aanzien in België. Maar twee jaar op rij zijn er problemen met die internationale jury als gevolg van misverstanden, interne onenigheid en gebrek aan diplomatie. De editie van 1997 is dan ook de voorlopig laatste.
Aan het einde van het decennium reikt de Vereniging op de edities 1998 en 1999 van het Brussels Film Festival, haar eigen persprijzen uit. Later wordt dit Brusselse festival geleid door Ivan Corbisier, voormalig voorzitter van de Brusselse afdeling van de Vereniging.

Nog vermeldenswaard is dat de Brusselse afdeling van de BBF als intern communicatiemiddel van 1996 tot 2002 het tweetalige driemaandelijks verschijnende Mededelingenblad/Bulletin d'information uitgeeft.

NAAMSWIJZIGING

Vanaf het begin van de jaren 30 tot 2005 heeft de vereniging gefunctioneerd  in de vorm van verschillende regionale entiteiten. Brussel, Oost- plus West-Vlaanderen, Antwerpen, Luik, Henegouwen-Namen en zelfs Leuven hadden genoeg vakmensen om deze geografische opdelingen te rechtvaardigen.
In het midden van de jaren 1990 treedt er een nieuwe generatie in de vereniging op de voorgrond. Onder hen Ronnie Pede, Guido Convents, Freddy Sartor, Dominique Ronse en Ivan Corbisier; zij zijn als voorzitter,  secretaris of bestuurslid van de afdeling Brussel van de  BBF actief. Zij willen meer animo en activiteiten die de vereniging meer aanzien geven.
De voorgestelde initiatieven vallen echter in dovemansoren bij nationaal voorzitter Roland Lommé, die in 1989 de Vlaamse openbare omroep verliet om bij de toen gestarte commerciële zender VTM (tot 1999) zowel een filmmagazine te maken als er te werken als hoofd filmaankoop.
Het komt tot een harde confrontatie tussen de Brusselse afdeling en de nationale voorzitter die de steun van andere afdelingen (Antwerpen en Luik) weet te verwerven.
De krachtmeting leidt in 2005 tot een rechtszaak en het uiteenvallen van de vereniging. In 2006 komt er een einde aan de impasse. De leden verlangen helderheid, communicatie en een modernisering. Daarom wordt de Brusselse afdeling van de BBF, tot dan toe feitelijke vereniging, omgevormd tot een nationale vzw en worden de statuten aangepast. De vzw verenigt de meeste leden van de voormalige Brusselse afdeling, aangevuld met een aantal Antwerpse en Luikse leden. Er is gekozen voor een tweetalige nationale vereniging zonder regionale afdelingen. De voormalige afdelingen van de BBF in Luik en in Antwerpen blijken hun eigen weg te gaan.
Met de oprichting van de vzw in 2006 verandert de Beroepsvereniging van de Belgische Filmpers (BBF) ook haar naam, en wordt  de Unie van de Belgische Filmpers / Union de la Presse Cinématographique Belge UBFP/UPCB. Later dat jaar wordt het plotse overlijden bekend van gewezen nationaal voorzitter Roland Lommé  op 69- jarige leeftijd.

Jaren 90-2000

2010

EEN NIEUWE TIJD

In het tweede decennium van het derde millennium is de Belgische mediaomgeving aan het veranderen. De UBFP surft mee op deze golf van vernieuwing en zet in op de jeugd. Haar op 12 januari 2012 verkozen nieuwe voorzitter is 32 jaar. David Hainaut, een freelance journalist die sinds 2006 gespecialiseerd is in de filmsector, wil de UBFP uit haar lange winterslaap halen. Zijn verkiezing markeert het begin van een nieuw tijdperk en een hernieuwde dynamiek, die niet alleen door de leden, maar door de gehele sector wordt verlangd.

De jonge voorzitter heeft deze verwachtingen vertaald in concrete daden. In de eerste plaats door het UBFP in staat te stellen haar rol in België nog meer te spelen als nationaal verlengstuk van FIPRESCI, haar "grote zus" op internationale schaal. Maar ook door een breed en nuttig proces op gang te brengen van de Unie mediabekendheid te geven, haar te vertegenwoordigen, het verzamelen van archieven en door mensen die over film schrijven zonder tot dan toe te behoren tot een filmpersvereniging, uit te nodigen aan te sluiten bij de UBFP. Tevens blies David Hainaut het in 1927 opgerichte fonds voor onderlinge steun nieuw leven in.

Last but not least maakte hij er werk van in de loop van het jaar, in het kader van diverse  Belgische filmfestivals, verschillende Prijzen van de Filmkritiek toe te kennen. Zo zorgde de UBFP ervoor dat in 2015 op tien Belgische filmfestivals (meestal in samenwerking met de UFK) een Prijs van de Filmkritiek uitgereikt werd. Om de vereniging meer slagkracht te geven wordt in 2014 beslist het aantal leden van de raad van bestuur te verhogen van 4 naar 6.

les miserables poster.jpg

"Les Misérables" van Ladj Ly - Humanum prijs 2019

2010
eerste koeposter.jpg

"First Cow" van Kelly Reichardt - Grote Prijs UBFP 2021

2020


De covid-19 pandemie die sedert april 2020 België treft, komt hard aan voor de filmsector. Tijdens twee periodes in 2020 en 2021 zijn de bioscopen maandenlang dicht. Als ze wel weer open mogen, gelden beperkende maatregelen (capaciteit, mondmaskers). Een aantal filmfestivals wordt afgelast, andere kiezen voor een online versie. Distributeurs wachten met het uitbrengen van blockbusters tot betere tijden. Streamingdiensten pikken een stuk van de markt in.  
Wegens de pandemie gebeurt de verkiezing van de jaarlijkse UBFP-prijzen 2020 via een online bevraging bij de leden. De vereniging maakt op 25 februari 2021 bekend dat de Brits-Amerikaanse WOI-oorlogsfilm “1917” van Sam Mendes de Grote Prijs 2020 krijgt en het semi-religieuze drama “Corpus Christi” van Jan Komasa (Polen, 2019) de Humanum prijs 2020. De stemming  gebeurde via  e-mail, wat het onmogelijk maakte over de kandidaten te debatteren. De prijzen gingen dus meteen naar de films met het hoogste aantal stemmen.

Op 3 februari 2022 kunnen de UBFP-leden weer in levende lijve bijeenkomen en op hun jaarlijks diner de Grote Prijs en de Humanum Prijs voor 2021 toekennen. Dit gebeurt onder leiding van de in november 2021 verkozen nieuwe raad van bestuur, voorgezeten door  Elli Mastorou en met Djia Mambu als vicevoorzitter.
Het Brussels International Film Festival (BRIFF) reikte op zijn vijfde editie in 2022 (23 juni tot 2 juli) als enige Belgisch filmfestival een FIPRESCI-prijs uit. Met deze prijs van een jury samengesteld uit internationale filmcritici, treedt het BRIFF in de voetsporen van toonaangevende festivals als Cannes, Venetië, Berlijn en Toronto. De Fédération Internationale de la Presse Cinématographique / International Federation of Film Critics FIPRESCI werd in 1930 in Brussel opgericht onder impuls van stichtende leden van de UBFP (die toen nog BBF heette).

2020
bottom of page